Translate/Vertaal

donderdag 29 maart 2012

Goodbye Fiji!



After travelling around the Pacific for more than 4 months, we had decided it was enough and we made our plans to go to Asia. First of all we had to cancel our Samoa flight and forget about Tokelau. Forgetting about Tokalau after Tarawa was easy and it also turned out it was very easy to cancel a flight with Air Pacific. Our flight to Auckland was also easily arranged so everything looked to go smoothly. But then there was the bump…the flight from Auckland to Hong Kong could only be scheduled on the 18th of April and not a day sooner. That meant we were going to be stuck in New Zealand for 3 weeks. Well, if that was the only bump, we would go for it!
So on Friday we had made our decision and actions on it and there was only a weekend to spent in Fiji. Strange and even there is so much to look forward to, we felt a bit sad. Especially because it also meant we had to leave Mama’s…
On our last day Mama had a special day for us and after a amazing breakfast we had a lazy day and in the evening we had a awesome farewell diner with mama and the staff. A dinner never to forget! Mama’s tropic of Capricorn always feels like home but during the last months it really became our home and that made us also very sad when it was time to leave. But it is not a real farewell as I am sure we will be back in the future.


In the early morning on Tuesday we left Fiji and in 3 hours time we touched down in Auckland. Luckily mother nature was nice to us and the weather was good. We checked in our favorite hotel in Auckland and the thinking about Asia begun…and is still going on. We have decided to stay in New Zealand until the 18th of April and not to search any longer for a flight earlier to Asia. Another 3 week holiday in New Zealand. After that? We don’t know. Hong Kong, Macau, China….we will see.
For now we would like to thank mama’s for the wonderful times and we cherish our time there. Vinaka Vaka Levu mama and we will see each other again!!

donderdag 22 maart 2012

Tarawa..it wouldn’t be so bad if it sank into the ocean due to global warming..


Our trip to Tarawa started very early in the morning. We had to go to the airport at 2 am. Air Pacific changed the flight to four hours earlier.

After a smooth flight we arrived at Tarawa at 8 am. The immigration officer did his job very seriously and so did customs. After another 2 hours we were ready to leave the airport.

We were supposed to be picked up by a man named Joe, but he had an appointment with the dentist (I thought it was a joke) so his college picked us up. After paying an enormous amount of money for a 4 night stay at Tarawa we took a small canoe that brought us from South Tarawa to North Tarawa.

During our way up there we could see that the islands were overcrowded and that it was true that they shit on the beach and litter everywhere, where possible.

North Tarawa was not so overcrowded but still had all the other problems. We had a buia (shed) on the beach. We found out that we had to share the toilet, but we didn’t care because we were happy we didn’t had to shit on the beach as the locals. We could do our thing on a toilet and than flush it onto the beach. What a relieve. The water in the shower came from a well and smelled like rotten eggs and the dinner was as usual fish and rice or rice and Fish.

After 3 nights we decided it was not such a good idea to stay on Tarawa for 2,5 weeks and we send Air Pacific UK an email we wanted to leave Tarawa on the first flight out of there, Monday.

We received an email that it could be arranged and that the head office would take care of it and we would receive our e-ticket in a day. Perfect! So with that in mind we moved back to South Tarawa the next morning.

We were told that Mary’s was a great place to stay, so we went there. No luxury at all but a lot of expats stayed there and we had a lot of fun with them during our last days on Tarawa.

They took us on a WW-II trip, what was the only relevant history highlight of the island and we had amusing dinners with them.

During those days, we kept an eye on our email but we never received an e-ticket and after calling with Air Pacific it got clear to us that they, for some reason, didn’t want to change our ticket.

The last day we took an boat ride to a secluded beach on North Tarawa. Te beach was great. No litter and a relatively clean beach. The only thing bad about the trip was the ride with the boat. The boat was too small, or the waves to big, what made it such a bumpy ride that that night we couldn’t sit on a chair thanks to the bruises.

On Sunday night, we still had not heard from Air Pacific and we decided to go to the airport the next day and play the stupid tourist and talk ourselves into the plane.

On Monday morning we went to the check-in. That was not at the airport but at an travel agent. That the logical way they do it in Tarawa (!?!?!). Anyway, they could look into the system of Air Pacific and they told us we had a booking for the flight for that day but no e-ticket. Our original e-ticket disappeared as well and there we another 5 (!!) bookings on the original date. After looking very upset, the guy at the travel agent felt so sad for us that he cancelled all those flights an gave us a totally new e ticket on the flight that morning.

At 9 AM we took off from Tarawa to Fiji. What a relieve. This was not a tropical paradise..no wonder nobody heard from Tarawa before..

zaterdag 10 maart 2012

Kiritimati (Kiritimas) ook wel Christmas Island


Daar zaten we dan. Voor de zoveelste keer op Air Pacific te wachten. Van alle vluchten die we met Air Patheti hebben gehad zijn er precies nul op tijd vertrokken. Deze keer ging hij zelfs niet op de dag dat hij zou moeten gaan maar pas de volgende dag. Nu hadden we wel het geluk dat de vlucht om 23.58 zou vertrekken en nu om 1.58 maar goed, toch twee uur vertraging. Uiteindelijk toch aan boord gegaan en konden we los richting Christmas Island.
                Christmas Island is weer één van die plaatsen op de wereld die helemaal nergens over gaan. Waarom wij er dan ook naar toe moesten ontging mij dan ook volkomen. Het zal er wel mee te maken gehad hebben dat het het verst weg lag van alles in de grote oceaan en ook nog precies in het midden. Als je Christmas Island opzoekt in Google Earth en het dan precies in het midden van je beeldscherm brengt zie je alleen aan de randen nog wat land liggen de rest is water. Zo hebben wij het ook gevonden. Als je vervolgens inzoomt dan zie je een vliegveld liggen en waar vliegvelden liggen komen vliegtuigen leek ons en dus kan je er komen. Zo gezegd, zo gedaan.
                Groot is Christmas Island niet, maar wel de grootste in zijn soort. Het is een atol en die zijn over het algemeen redelijk klein. Christmas Island is echter het grootste atol ter wereld. Het werd ontdekt door Captain Cook tijdens een kerstavond in de tijd dat hij het daar erg druk mee had. Ik moet zeggen dat ik het me altijd heb afgevraagd hoe dat gegaan moet zijn voor de locals. Staat er opeens een lijpe Engelsman op je strand te blaten dat hij je ontdekt heeft. Kijk je elkaar aan met een gezicht van “Ik ben hier al een tijdje hoor”. Persoonlijk zou ik trouwens onmiddellijk claimen dat ik Captain Cook ontdekt zou hebben en dat zijn schip dus nu van mij was, maar dat terzijde. Captain Cook was echter redelijk teleurgesteld want hij was inderdaad één van de eerste zo niet de eerste mens die dit eiland ontdekt had en blijkbaar heb je niets aan je ontdekking als er niet iemand is op zo’n eiland. Uit archeologisch onderzoek is echter gebleken dat er inderdaad nooit een mens heeft gewoond voordat Cook en zijn kornuiten voet aan wal zette. Veel had hij daar niet aan want het eiland was economisch gezien waardeloos. Er groeide vrijwel niets, het is zo plat als Nederland en er waren zelfs niet genoeg vogels om guano in winbare proporties te produceren. Jarenlang is er dan ook geen fluit met het eiland gedaan. Ergens in de 19e eeuw is er een pater geweest die met een aantal Gilbertanen een kokosplantage getracht heeft op te zetten maar die ging in eerste instantie ten onder aan droogte en de zoute wind die over het eiland waait. Later is het nog wel enigszins gelukt maar tot de tweede wereldoorlog is het eiland zo goed als onbewoond geweest. En t oen kwamen de Britten.  Ineens hadden zij en de Amerikanen wel interesse voor het eiland. Ze hadden namelijk een nieuw speeltje, de waterstofbom de grote broer van de atoombom. En wat is er nou leuker omdat te testen in een gebied waar toch niemand woont.
Het eiland werd voorzien van een uitstekend infrastructuur en maar liefst twee vliegvelden, het feest kon beginnen. Na een tijdje begon dit ook weer te vervelen en nadat een wat te enthousiaste bom een deel van infrastructuur wegblies gaven ze er in 1962 de brui aan. Een deel van het personeel dat was geïmporteerd van andere eilanden is er blijven wonen en vormt de huidige bevolking.

                Intussen waren we geland op Kiritimati, zoals het eiland tegenwoordig heet. Je spreekt het uit als Kiritimas wat weer een verbastering is van Christmas. De locals wilden het zelf een naam geven maar waren blijkbaar niet erg geïnspireerd. De landing was er één die weer interessant te noemen was. Deze keer niet door turbulentie of andere weer fenomenen. De landingsbaan verkeerde echter in een vergaande staat van ontbinding. Sinds de Britten weg waren gegaan was er nooit meer wat aan gedaan. Zo kwam het ook wel eens voor dat de piloot de landing daar niet zag zitten en dan gewoon doorvloog naar Honolulu. De locals en soms expats teleurgesteld op de grond achterlatend.  Wij hadden geluk en waren wel geland. Al snel diende zich een andere probleem aan. We gingen er vanuit dat wel ergens zouden kunnen slapen aangezien er redelijk wat accommodaties op het eiland waren. Ze waren echter net begonnen met het opknappen van de landingsbaan en dat werd voornamelijk door expats gedaan. Het enige echte hotel op het eiland zat dus vol en de rest van de accommodaties werd gevuld door fishermen, vissers. Een soort toeristen die hier uitsluitend kwamen om te vissen. Hier zit de zee nog  vol met vis en niet van die kleine ook. Alles onder de 50 kilo wordt hier is als klein beschouwd. Voor ons betekende dit echter dat we een probleem hadden. Te meer dat er hier maar één keer in de week een vliegtuig land en daar waren wij net uitgestapt.
Gelukkig was er een Aussie die blijkbaar in de gaten had dat we een probleempje hadden. Hij was ook een fishermen en tezamen met zijn collega’s hadden ze een resortje, Ikari House, afgehuurd. Hij bood aan dat we met hem meegingen en dan wel zouden zien hoe we het probleem op zouden lossen. Daar hadden wij dan weer geen problemen mee en nadat we aan waren gekomen besloten de fishermen een kamer op te geven door met meer mensen in de andere kamers te gaan slapen. Zo kwam er een kamer vrij en hadden wij dus ook een kamer. Problemen zijn er om opgelost te worden zeg ik dan maar.
De volgende dag kwam er een volgend probleem aan het licht. Wij waren namelijk geen fishermen en wat moest je dan doen op een eiland. Jacob, de eigenaar van Ikari House, had het er een beetje moeilijk mee. De enige toeristen die op het eiland kwamen waren fishermen en wij hadden geen zin om te gaan vissen. Nu zat hij met het probleem dat hij een stel toeristen moest gaan vermaken. Wij vonden van niet en zo was ook dit probleem weer opgelost. Het ging hem echter volkomen boven zijn pet wat we dan op het eiland moesten doen.  We vertelde hem dat we een auto nodig hadden en er dan wel uit zouden komen.
                De volgende dag had Jacob een auto voor ons geregeld en wij zouden wel eens kijken wat er allemaal te doen was op het eiland. En na een dag rondrijden wisten we het. Jacob had gelijk, op het eiland was helemaal niets te doen, niets dat niet leuk was. Sterker het eiland was bomvol (met enigszins de nadruk op bom) met dingen waar toeristen door aangetrokken worden. Maar blijkbaar had niemand dat nog door. Het eiland had prachtige stranden om te zonnen en alle andere dingen die je kan doen op een strand. Je kan de overblijfselen van de bomtesten gaan bekijken die nog genoeg aanwezig waren. Je kan er blowkarten op de landingsbaan, er komt tenslotte maar één keer per week een vliegtuig en dat is altijd op woensdag. Verder kan je er snorkelen, natuurparken bezoeken, zwemmen in de lagoon, wadlopen op de flats, birdwatching. Een bezoek aan de copraplantage of de plaatselijke brouwerij of gewoon met een stel locals honing plunderen uit een bijenkolonie in een hole palmboom en vervolgens rennen voor je leven omdat de bijen dit geen grap vinden. 
Het is maar een handvol van de dingen die je kan doen want er zijn nog veel meer dingen te doen. Die avond vertelde we onze bevindingen aan de fishermen en aan Jacob. De fishermen overwogen zelfs even om een paar dagen niet  te gaan vissen en met ons mee te gaan en Jacob, welke een echte zakenman is, zag ineens veel mogelijkheden voor de toekomst. Jacob is namelijk zo’n beetje de enige entrepreneur op Christmas Island en heeft ongeveer de helft van de zaken op het eiland zijn in handen. De andere helft is van de kerken en de overheid en laat Jacob nou ook een godvrezend man zijn en lid van het parlement  van Kiribati. Het kan geen toeval zijn.
                De eerste week hebben we doorgebracht met snorkelen, tripjes en zijn we een keer gaan duiken. Dat laatste bleek een beetje een avontuur te gaan worden. Aangezien wij de enige toeristen op het eiland waren en dus zeker de enige sportduikers was het wat moeilijk om aan apparatuur en een gids te komen. Gelukkig waren er beroepsduikers op het eiland. Zij verdienen hun brood door zeeaquariumvissen te vangen die erg zeldzaam en een aantal daarvan zelfs endemisch zijn voor Christmas Island. Deze brengen bakken met geld op en laat Jacob nou ook dit handeltje in handen hebben. Ongevaarlijk is dit niet omdat de meest zeldzame en dus meest waardevolle op grote diepte voorkomen. Uit verhalen van Jacob hadden we al begrepen dat hierbij wel eens een duiker omkwam.
De apparatuur die we toegewezen kregen was van dusdanige belabberde kwaliteit dat het volkomen onverantwoordelijk was om hiermee het water in te gaan. We waren intussen wel wat gewend en besloten het erop te wagen. Het eerste duikje verliep dan ook niet erg voorspoedig. Onze apparatuur lekte aan alle kanten en zo nu en dan stopte onze automaat met lucht geven wat onder water enigszins een benauwd gevoel te weeg brengt. Zeker als het langer dan 20 seconden duurt. Een paar fikse klappen op het automaat verhielp het probleem meestal wel en anders kon ik altijd een paar teugjes lucht bij Anna halen of visa versa. Doordat echter overal lucht ontsnapte konden we niet langer dan 30 minuten onder water blijven omdat dan onze lucht al op was. Dit tot grote opluchting van onze gids want die was er onder water achter gekomen dat zijn luchtmeter kapot was en hij dus helemaal niet kon zien hoeveel lucht hij nog had. Anna vond het ook niet erg want veel van haar lucht lekte in haar trimvest zodat ze steeds bezig was tegen een ballonopstijging te vechten.  Dat weerhield ons natuurlijk niet om een tweede keer een duikje te ondernemen. Een aantal  problemen waren verholpen zodat de tweede duik veel rustiger en dus langer verliep.
                Na een week was het voor de fishermen tijd om naar huis te gaan. Aangezien iedereen hier altijd op woensdag aankomt of weggaat wordt er dinsdag avond een uitgebreid afscheidsfeest gegeven. Ditmaal werd dit gecombineerd met een andere resortje waar ook fishermen zaten.
 ’s Avonds togen we met alle Aussie fishermen naar het resortje dat Crystal Beach heet. De fishermen daar bestonden enkel uit Japanse fishermen. Japanners zijn grappig.
Het werd dus een grappige avond en helemaal toen één van de Aussie fishermen zijn kaarttrucs weer eens liet zien. De Jappen houden wel van een leuke show en wij vonden de Jappen weer leuk om naar te kijken. Al met al een geslaagde avond dus. Temeer omdat we nu niet eens vis of kip te eten kregen maar varken alla Obelix stijl.
                De volgende dag hebben we de Aussie en Jappen uitgezwaaid en een nieuwe Jap ingezwaaid. Deze keer een vrouwelijke, zij was helemaal niet grappig.
                We besloten nog één nachtje bij Jacob te blijven om dan naar een ander hotel te gaan. Dit hotel heette toepasselijk het Captain Cook Hotel. Dit was vroeger, in de tijd van de Britten, Main Kamp. Het centrale kamp waar vandaan de bomproeven gecoördineerd werden. Dit hotel zat vol met expats die aan de landingsbaan werkten maar er was nog een kamertje vrij gekomen en dus konden we daar de rest van de week blijven. Dat die expats daar waren bracht ook een aantal voordelen met zich mee. Als toerist is er genoeg te doen op het eiland maar als je er een paar weken bent geweest dan gaat het toch redelijk vervelen. De expats hadden dus zo hun eigen manieren om zichzelf te vermaken en wij mochten daar van mee profiteren. Zo hadden ze op een avond een mega-bbq georganiseerd omdat een bepaald deel van de landingsbaan was afgekomen en wij waren ook uitgenodigd. Het vlees werd simpelweg ingevlogen vanuit Hawaï dus hadden wij ook weer eens lekker vlees en een leuke avond.
Ook hadden ze om zichzelf te vermaken een “luxeplek” gemaakt. Aan de lagoon hadden ze een mooi stuk strand uitgezocht, vervolgens een deel van de zee uitgegraven wat dienst deed als zwembad. Wat terrasjes en open huisjes gebouwd . Toiletten, een bar en een bbq neergezet en vervolgens de boel omheind. “VIP only” stond er boven de ingang. Wij waren meer dan welkom en als de expats aan het werk waren hadden wij het rijk alleen. Je keek uit over een prachtige blauwe lagoon en kon als je zin had één van de kayaks pakken die de expats er ook hadden liggen om zo de lagoon en de flats te gaan ontdekken. De flats zijn een soort wadden alleen dan geen bruin zand maar spierwit koraal zand. Het licht was er zo intens dat als je geen zonnebril zou dragen je binnen een half uur sneeuwblind zou worden bij 35 graden celcius.
De flats waren grappig, net als de Japanners, behalve dan die Japanse vrouw. De flats waren de kraamkamer van de zee om zo maar te zeggen. Alles wat er in de oceaan zwemt wordt hier geboren. Je komt er van alles tegen in miniformaat. Haaitjes, rogjes en ook zagen we een klein blowvisje. Deze schrok zo van ons dat hij zich ineens opblies om ons af te schrikken maar daarbij een belletje lucht inslikte. Het arme dier kwam onderste boven te hangen en wij konden duidelijk een bel in zijn buikje zien zitten die groot genoeg was om zijn evenwicht degelijk te verstoren. Na een luide boer, voor zo’n klein visje,(wij hoorden niets, maar hij vond van wel) kreeg het beestje weer zijn normale formaat terug en ging er vandoor.
                Onze tweede week was zo goed als over en zoals de traditie op Christmas Island voorschrijft werd er op dinsdag avond weer een feest gegeven voor de vertrekkende toeristen. Nu waren wij de enige twee overgebleven toeristen in het Cook Hotel dus dat zou wat een summier feestjeworden,  vonden ze in het Cook hotel, daarnaast zouden we dan met zijn tweeën een heel varken op moeten eten wat ons toch wat te gortig leek. Besloten werd dan ook om, tot grote vreugde van hun, alle expats uit te nodigen. Die wisten na een week werken op de landingsbaan wel wat ze aan moesten met een varken alla Obelix stijl. Op woensdag konden ze trouwens sowieso weinig doen aan de landingsbaan aangezien dan het enige vliegtuig moest landen. Het werd weer een groot feest met een aantal lokale muziek optredens waarvan er één zelfs goed te noemen viel. Het betrof een clubje van de lokale kerkelijke gemeenschap die hadden uitgevonden dat als ze met hun slippers een klap gaven op een pvc pijp er een leuk geluid uitkwam
. Zaag je vervolgens een reeks pvc buizen op verschillende lengtes net als een panfluit dan heb je een leuk instrument. Ze deden het optreden in aflopen leeftijd. Eerst een stel bejaarden en dan aflopend tot een aantal kleuters met een hun slippers achter de mega-panfluiten te zetten. Een vermakelijk optreden, dat wel.

                De volgende dag zou het vliegtuig om 16.00 vertrekken. Het was weer Air Pacific dus we vroegen ons af hoe laat we echt zouden gaan. Rond twaalf uur hoorden we dat we al om 13.00 op het vliegveld moesten zijn omdat het vliegtuig om 15.00 al zou vertrekken. Om 16.30 stegen we op draaiden we nog één maal over Christmas Island en vertrokken weer richting Fiji.


dinsdag 21 februari 2012

Fiji - Part 2


After returning from the Solomon Islands, we went straight back to Mama’s. The weather was horrible with a cyclone nearby and flooding around the country.
Luckily, we felt horrible as well, so we disinfected ourselves and our stuff and relaxed for a couple of days. After we started to feel a bit better, we changed some flights at the airline company and looked on the internet for some nice places to stay for the next week as we were not heading out of Fiji in another week time. Things were or to expensive or you had to go there on the Yasawa Flyer and that is not our favorite boat.
Still not knowing what to do, I woke up on Valentine’s day and looked once more on the internet. And there was something very interesting going on…SALE!!! So at 9.30AM I booked us a nice resort for the next 5 nights and called the Pacific Island air and booked ourselves an seaplane transfer to the Island. At 1 PM we arrived at the resort and the relaxing could begin!
The rooms were clean and the resort was clean too. A nice pool, white beach, blue ocean. Perfect!!...except for the meals and drinks…
We snorkeled a bit, hang in the pool a bit and just doing nothing. One day we felt energetic and we went diving. Seen some very nice soft coral, we had never seen before.
After five nights we took the boat back to the main island and we are ready to head out to Christmas Island. They say the people over there still live very basic and that their toilet is the beach and toilet paper is something that is not common…..I am so happy we had those 5 luxury days!!!
Tomorrow we fly to Christmas Island so I will be back online in two weeks!

Cheers Anna

zondag 5 februari 2012

Solomons Islands


         Honiara

We waren nog in Fiji, bij Mama’s. We liepen bij de buren aka The Smugglers naar binnen om onze was te doen omdat we wel verwacht hadden dat we dat de komende maand niet meer zouden kunnen doen. In The Smugglers was ook een klein winkeltje, typisch zo’n resort winkeltje waar ze van alles verkopen dat je thuis links laat liggen. Hier vonden we een kleinood. Een krijtje van geen betekenis op het eerste gezicht. Het betrof een stukje kalkkrijt dat je wel kent van vroeger en als je kinderen hebt waarschijnlijk van nu. Je kan het gebruiken om tekeningen te maken op allerlei ondergronden. Hier hadden ze er één of ander vergif aan toegevoegd waar kakkerlakken ter plaatse dood van neervallen. We hebben het maar gekocht, het zou altijd van pas kunnen komen niet waar?

Het was 8 uur in de ochtend de volgende dag. We stonden op Nadi airport om in te checken voor onze vlucht naar de Solomon Islands. We hadden verwacht dat Air Pacific weer eens mega te laat zou zijn maar tot onze verwondering was de vlucht precies op tijd. Een unicum. We checkten in en namen plaats. Na een rustige vlucht van ongeveer 4 uur landen we op de Solomon Islands. Nou ja, landen. Het was meer van we zijn er en laat hem nu maar uit de lucht vallen.
We liepen de luchthaven in en na een half uurtje stonden we buiten. We hadden een slaapplaats geregeld bij de Raintree Café. Tot onze verbazing werden we opgehaald en geëscorteerd naar de taxi. We reden vervolgens door Honiara, de hoofdplaats van de Solomons, waarover we zowel positieve als negatieve berichten hadden gehoord. Op het eerste gezicht verschilde het niet veel van menig derde wereld stad ergens anders in de wereld. Het had misschien nog wel het meeste weg van een stad in Afrika. Veel marktjes en kleine winkeltjes en natuurlijk overal rotzooi.
Na een korte rit kwamen we aan bij de Raintree. Het lag midden in een krotten wijk net buiten Honiara, maar wel aan het water. Waar overigens net zoveel rotzooi in dreef als op straat lag. Via internet waren we al een beetje gewaarschuwd voor de Raintree. Echter toen we incheckten zag het er allemaal wat donker maar netje uit. We hadden een kamer, een keuken en een badkamer. Alles was redelijk schoon alleen viel de stroom regelmatig uit. Wel verkochten ze er heerlijke pizza’s, beter dan menig Italiaan in Nederland. Na een goed diner besloten we naar bed te gaan. Het was intussen donker en daarmee kwam er een hele nieuwe wereld tot leven. Daar kwamen we achter toen we in onze kamer terug kwamen. Het stikte er werkelijk van de kakkerlakken en van de megaratten, al kwamen we achter die ratten pas later. Als voorzorg pakten we ons krijtje uit Fiji en besloten daar waar nodig was lijnen op de vloer te tekenen zodat de kakkerlakken ons niet konden bereiken. De volgende dag zagen we dat dit niet voor niet was geweest. We hadden bijna een kruiwagen nodig om alle kakkerlak lijken te verwijderen. Ook waren we ’s nachts enkele keren wakker geworden van grote katten die door onze kamer renden. Toen we echter het licht aan deden bleken dit geen katten, maar enorme ratten te zijn.
Na een paar dagen hadden we er genoeg van en zijn naar een hotel gegaan dat King Solomon heet. Hier was alles een stuk schoner, al ontkwam je hier ook niet aan de kakkerlakken alleen in iets normalere aantallen en afmetingen. We wilden ook plannen maken voor de rest van onze tijd in de Solomons en hier hadden ze internet  zodat we verder konden plannen. In de bar van het hotel zijn we eens gaan kijken wat we het beste konden doen in de Solomons. Ons oog viel op de Western Provence. Niet dat we echt wisten wat we daar konden verwachten maar op Google Earth zag het er leuk uit en er waren veel eilanden. Zo gezegd zo gedaan. We boekten een vlucht naar Seghe en zouden vanuit daar opgehaald worden om neer een eilandje te gaan dat bestaat onder de naam Matikuri en daarna zouden we wel zien.


            Seghe

De volgende dag stapten we om 13.00 in een taxi die ons van Honiara naar de Domestic Terminal zou brengen. Hier vandaan vertrokken de binnenlandse vluchten naar de verschillende eilanden en wij moesten tenslotte naar zo’n eilandje. Toen we de luchthaven aankwamen bleek onze vlucht een uurtje vertraagd te zijn. We waren intussen wel wat gewend en dat was dus geen probleem. Later kwamen we erachter dat we eigenlijk enorm geluk hadden gehad. Air Solomon vliegt namelijk niet op bepaalde tijden. Alleen op bepaalde dagen zoals we later uit zouden vinden.
Na een korte tijd gewacht te hebben stapten we in het vliegtuigje. We zouden aanvankelijk met een groter vliegtuig gaan, een Dash-8, maar die was gecrasht dus werden we in een Twin Otter gepropt die waarschijnlijk nog dienst had gedaan in de tweede wereldoorlog.  Nadat we opgestegen waren hadden we goed zicht op het inflight entertainment system, de cockpit. Duidelijk was dat de meest cruciale systemen, de piloten, werkten. Na een kleine uurtje en zonder problemen kwamen we aan in Seghe. Dit bleek uit niet meer te bestaan dan een graslandingsbaan, een marktje en een aanleg steiger voor boten.
We werden opgewacht door Benjamin, voor vrienden Ben. We waren natuurlijk meteen vrienden en mochten hem Ben noemen. Hij moest nog even wachten op wat boodschappen van de markt en dan zouden we gaan. Het bootje waarmee we naar zijn plaats, Matikuri, gingen was van het type dat je overal in de Solomons zag. Simpele motorboot van glasvezel waarvan de punt een kleine overdekte open opbergruimte had waar je wat spullen in kwijt kan. Het bootje ging met een gemoedelijke snelheid richting zijn resort. Dit gaf ons wat tijd om van de omgeving te genieten die werkelijk ongekend was. Het water was van een azuurblauw zoals we die alleen bij de Seychellen en Turks en Caicos hadden gezien. De eilanden bestonden uit een jungle zo dicht en zo origineel dat je het alleen kent van verhalen van vroeger. De jungle liep tot in en over de zee, geen huizen, geen resorts en helemaal niemand behalve wij in de boot en de natuur. Natuur die werkelijk ongelofelijk is. Papagaaien, krokodillen, haaien, dolfijnen, dugongs en alles in die mate dat het lijkt of er helemaal niet zoiets als bedreigde diersoorten kunnen bestaan.

Bij Matikuri aangekomen bleek dit te bestaan uit een groot centraal huis met een enorme veranda over de zee, een drietal bungalows met ook een enorme veranda over de zee en een  soort dorm. We bleken niet de enige toeristen te zijn. Er was nog een Australische Couple. De enige twee toeristen die we tegen zouden komen in de Solomons. Onze bungalow was primitief maar prima. Lekker ruim en helemaal boven het water. Dit betekend dat er weinig tot geen ongedierte zou zitten en dat was ook wel weer eens leuk voor een verandering.
Rond etenstijd gingen we naar het hoofdhuis om daar eens wat te eten. De etenstijden waren prettig geregeld hier. Ontbijt was ’s ochtends. Lunch was tussen de middag en avondeten was ’s avonds om half acht, of wanneer het uitkwam. We spraken wat met het Australische Couple en kwamen er zo achter dat er elke avond gekaart werd. Een spelletje dat Locker genoemd werd. Heel erg simpel en inderdaad, ’s avonds vonden wij onszelf aan een spelletje Locker. Na twee dagen ging het Couple weer terug naar huis en hadden we het eiland voor onszelf. Zij hadden de vlucht van 15.00 die middag, dus ze werden om 09.00 door Ben naar het vliegtuig gebracht en vlogen om 11.00 terug naar Honiara. Zo ging dat met Air Solomon.
Nu wij het eiland voor onszelf hadden werd het tijd om ons in het lokale tijdverdrijf te verdiepen. Vissen. Het leukste om hier naar te vissen was squid ofwel inktvis. Dat gaat als volgt. Je zoekt op de stijger waar de squid zich bevinden en dan gooi je een lijntje uit met een namaak visje. De squid vindt dit interessant en probeert deze te pakken. Als hij eenmaal toeslaat zit hij vast aan de haken in het aas. Vervolgens haal je dan rustig de squid uit het water. Dit is niet geheel zonder gevaar, de squid heeft namelijk een voorraad inkt. Als je de squid op het verkeerd moment boven het water takelt spuit hij je helemaal onder met een zwarte inkt die je niet meer uit kleren krijgt. Na een tijdje bleken we hier goed in te zijn en haalde er redelijk wat binnen. De locals gebruiken ze het liefst als aas om grotere vissen binnen te halen. Wij vonden ze echter nogal lekker zodat we elke avond onze eigen gevangen squid te eten kregen.
Wat ook leuk was aan het vissen vanaf de steiger is dat je nooit alleen aan het vissen was. Er was namelijk een plaatselijke haan die heel erg eenzaam was. Hij was helemaal alleen op het eiland. Geen hennen, geen hanen alleen de locals die hem meestal wegjaagden. Wij vonden het echter prima als hij er bij kwam zitten. Hij bedelde ook niet om eten hij wilde gewoon gezelschap. Gevolg was dan ook dat bij veel dingen die we deden er een haan naast ons stond of lag. Dat vond ie blijkbaar leuk. Ook als de haan er niet was werden we vaak gezelschap gehouden door een haai die daar zijn territorium had en altijd als we aan het vissen waren kwam hij even kijken of er misschien wat was overgebleven van de squid of andere vissen die we vingen. Maar goed, je hebt vissen en je hebt vissen en vissen gingen we de volgende dag doen.

De locals hadden ons voorgesteld om de volgende dag echt te gaan vissen, vissen zoals als zij dat doen. Ons leek het een prima plan.  Vissen wordt hier gedaan op drie manieren. Trawling, de boot varende houden en daarachter een lijntje houden met aas net zolang tot er een vis bijt. Fishing, een lijntje uitgooien met aas als de boot stil ligt en dan maar hengelen. Diving, met een speer en snorkels het water in gaan en dan op jacht naar kreeften. Ze hebben ook verschillende tijden wanneer je welke gaat doen. Trawling, einde van de middag. Fishing, einde van de middag begin van de avond. Diving, als het pikdonker is.
Aan het einde van de middag vertrokken we om eerst te gaan trawlen. De truc is om vogels te spotten die aanwijzen waar een grote school vissen zich bevindt. Na een korte tijd spotte we onze eerste school. De jacht was begonnen. Iedereen gooide zijn lijnen uit  en met volle snelheid voeren we over de school. Je zou verwachten dat het een kwestie van geluk is maar dat is het niet. Het is een samenwerkingsverband van veel factoren. Het gaat als volgt, de tonijnen zoeken de school vissen op en jagen deze voor zich uit. Dan komen de vogels om aan te geven wat daar gebeurt. Hier komen dan de dolfijnen op af om deze school tot een grote bal samen te kneden. De tonijnen kunnen hier dan makelijker hun vissen uit pakken en de dolfijnen vervolgens ook. Dan komen de mensen met hun aas dat er uitziet als de vissen uit de school waar de tonijnen vervolgens in happen. Door met hun boten ook om de school te varen zorgen ze er samen met de dolfijnen voor dat de school niet kan ontsnappen wat weer goed is voor de tonijnen al moeten ze er een paar soortgenoten opofferen. De vogels pikken de restjes op zodat iedereen profiteert.
Na dit spektakel en genoeg vis zochten we een goede spot om te gaan Fishing en te wachten tot het pikdonker was zodat we op jacht konden naar kreeft. Het weer was er intussen niet beter op geworden. Overal om ons heen onweerde het alsof de derde wereldoorlog was begonnen. Aan alle kanten om ons heen flitste en donderde het. Toen het uiteindelijk boven ons ook begon te flitsen begonnen we ons een beetje zorgen te maken. Helemaal toen de bliksem niet ver van ons een paar keer insloeg. We waren tenslotte op die grote oceaan wel het hoogste punt en we hadden redelijk wat stalen objecten bij ons. De locals zagen dit niet echt als een groot gevaar. Ze gingen staan met een groot stalen mes in hand, zwaaide daar een beetje mee rond en ‘sneden’ dan zo de storm in stukken. Ze zeiden dat dit tot nu toe altijd had gewerkt… Ja, anders had je hier nu niet gestaan!
Na 19.30 werd het donker en we stopten met Fishing om naar onze volgende spot te gaan om op jacht te gaan naar kreeft. Het weer was intussen iets beter geworden, dat wilde zoveel zeggen dat het niet meer recht boven onze hoofden onweerde maar dat dit natuurgeweld zich afspeelde op veilige afstand. Niet dat het gestopt was, om ons heen was het nog steeds een hel die misschien nog het meest deed denken aan Dante’s inferno. Onder deze omstandigheden trokken we onze snorkelspullen aan, pakten we een onderwaterlamp en een speer en lieten ons achterover van de boot in het zwarte water vallen. Boven water was het op de flitsen na pikkedonker geweest maar op het moment dat we het water raakten ontplofte dit in een surrealistische wereld van licht. Het was of we ons ineens in het midden van het heelal begaven. Door onze aanraking met het water besloten alle algen en kwallen licht te gaan geven zodat het leek dat je door het heelal bewoog. Links en rechts schoten talloze vissen en haaien weg om een veiliger heenkomen te zoeken. Toen het licht langzaam wegstierf knipte we onze zaklantaarns aan en gingen op jacht naar kreeften. Deze komen te voorschijn in het donker en als je op ze schijnt blijven ze roerloos zitten totdat je ze aan een speer rijgt. Dit was echter minder makkelijker dan het leek. Het pantser van deze beesten is zo hard dat je speer er makkelijk op af ketst. Na een paar mislukkingen besloten we de T&C methode toe te passen. Deze methode is door een paar specialisten ontwikkeld in Turks & Caicos en gaat als volgt. Je jaagt de kreeft uit zijn hol en gaat er dan achteraan. Door het type metabolisme dat de kreeft heeft kan hij alleen maar kort sprinten en is dan uitgeput waarna je hem zo op kan pakken. Na een lange tijd onder water en een aantal kreeften later besloten we weer aan boord te gaan. De locals waren blij toe want toeristen blijven in de regel niet een paar uur in het water, hooguit een half uur.
Het was tijd om terug te gaan naar Matikuri om daar de kreeften en vis te gaan eten die we gevangen hadden. Het onweer was weer in hevigheid toe genomen. Overal om ons heen werd de lucht verlicht door enorme onweersbuien. Verder was het pikkedonker…. Tot het moment dat we gingen varen. Ineens waren we daar waar je niet voorstellen dat het kan bestaan. De hemel was zo donker dat het donkerder was dan je ogen dicht doen in een grot. De oceaan bestond niet en ging zonder horizon over in het donker van de hemel. In die duisternis was een bootje die vaarde op zijn eigen sterren, omringd door onweer dat niets verlichte behalve zichzelf.  Doordat het bootje de oceaan doorkliefde activeerde het allemaal algen en kwallen tot het geven van een enorme hoeveelheid licht die het bootje leken te laten varen in een spoor van licht. Door de duisternis en de onweer in verte leek het net of we op niets voeren maar dat we door de lucht vlogen omringd door licht van organismen in de zee en flitsen zonder donder.
Die avond aten we kreeft.

De boot

Aan alles komt een eind zegt men wel eens. Domme uitdrukking want het is niet eens waar. Toch was het wel tijd om Matikuri te verlaten. We hadden een reservering met Air Solomon van Seghe naar Gizo. Intussen wisten we dat dit wel eens kon betekenen dat we met de boot zouden moeten. Onze vlucht zou om 15.00 uur gaan. Een dag van te voren hoorde we dat we op de wachtlijst stonden omdat het vliegtuig overboekt was. Er kunnen nu éénmaal niet zoveel mensen in een Twin Otter als in een Dash-8. Op de dag zelf hoorde we dat het vliegtuig niet ging omdat er geen mensen hadden geboekt…..? Dit betekende dus dat we met de boot moesten en als je de schepen hier gezien zou hebben dan zou je weten dat het een heel nieuw avontuur zou worden. Maar goed, met het vliegtuig was het maar 12 minuten dus hoe lang kan het zijn met de boot?
 We vertrokken ’s avonds om 22.15 uur uit Matikuri. De boot zou ergens tussen 2.00 en 3.00 ’s nachts gaan afhankelijk van het weer.  Om die tijd te overbruggen konden we zolang in Ben zijn huis (in aanbouw) bij het vliegveldje in Seghe wachten. Daar hebben we geprobeerd wat te slapen maar er waren net te veel ratten die ons wakker hielden zodat we om 2.00 ’s nachts er maar uit zijn gegaan. Samen met Ben zijn we over het vliegveld naar het marktje gelopen dat bij de aanlegsteiger voor de boot lag. Het marktje bestond uit niet meer dan een paar rijen banken met daarvoor planken om waren uit te stallen. Het geheel was overdekt en had ongeveer de lengte van een tennisbaan maar net wat smaller. Tevens diende het als wachtplek voor de boot. Het was er redelijk druk en doordat het als marktplaats dienst deed stikte het ook hier weer van het ongedierte.
Om 4.30 arriveerde eindelijk onze boot en prompt werd de markt geopend. De boot had vertraging opgelopen omdat de motor het onderweg twee keer had begeven. Zoals de boot eruit zag was dit heel waarschijnlijk. Bij de boot ontmoette we Eva, de zus van Ben. Zij moest net als ons ook naar Gizo en zou ons wel wegwijs maken op de boot. Kwart over vijf vertrok de boot eindelijk. De boot deed ook dienst als vrachtschip dus er moest eerst nog heel wat uitgeladen worden. De kraan gebruikte echter zoveel stroom dat om de haverklap het licht op de boot uitviel, wat ervoor zorgde dat het uitladen even had geduurd.
Anna had van Eva een dekentje en een kussen gekregen zodat ze even op het dek haar ogen kon dicht doen. Binnen in het schip was dit haast onmogelijk omdat de temperatuur daar veel te hoog was. Ik heb er een kip een ei zien liggen die direct door een local genuttigd werd… gaar.
Na ongeveer anderhalf uur varen begon het licht te worden. Eindelijk kon ik wat waarnemen van de omgeving. Tot mijn verbazing waren we vlak bij de plek waar we een paar dagen daarvoor gesnorkeld hadden, vijf minuten varen van Matikuri! Toen de locals zeiden dat het de Slow Boat was hadden we kunnen weten dat Slow in Solomon ook echt  Slowslowslow is. Na een korte berekening zou dit dus betekenen dat we niet eerder aan konden komen dan 15.00 die middag. Wat waren we optimistisch.
                De boot ploegde en stampte langzaam maar onzeker naar zijn bestemming. Gelukkig was het prachtig weer zodat we aan dek konden blijven, tenminste tot de zon ons er af zou branden. Voorlopig was het nog vroeg waardoor het nog lekker koel was aan dek. De eerste twee uur heb ik me vermaakt door naar een bemanningslid, die de afmeting had van een leopardtank, te kijken die tv keek. Hij zat in het hokje van de kaartverkoop naar iets te kijken wat hem mateloos intrigeerde. Zijn vrouwelijke collega vond het duidelijker minder interessant want die was in slaap gevallen. Tijdens het kijken ging de man zijn mond steeds verder ophangen en kwam er een kakkerlak steeds dichter bij om de resten van zijn ontbijt te inspecteren. Net toen de kakkerlak zijn mond in dreigde te verdwijnen gebeurde er iets op tv wat de man kennelijk hilarisch vond. Bulderend van het lachen ramde hij zijn vrouwelijk collega zo hard op de schouders dat je deze hoorde kraken. Blijkbaar gebeurde dit vaker want ze deed niet veel meer dan haar ogen een klein beetje open om te kijken wat er aan de hand was. Dat was echter net genoeg om te zien dat de kakkerlak vanuit zijn mond in haar drinken was beland. Hierdoor ontstak zij in woede en begon de man uit te kafferen, wat echter geen zin had aangezien dat deze alweer in lethargische toestand tv aan het kijken was. Zij besloot dan ook om maar weer te gaan slapen totdat haar collega haar, na weer iets op tv, een nieuwe hernia ramde.
Net toen dit tafereel een beetje begon te vervelen brak er rumoer uit op het schip. Bij de boeg stonden ineens een aantal mensen te schreeuwen en te klappen. Dat resulteerde erin dat vrijwel iedereen aan boord naar voren vloog om deel te nemen.  Bij nader onderzoek bleek dat het ging om dolfijnen die het prachtig vonden om in de boeggolf van de boot te springen en te buitelen. Al snel werd het schip omgeven door een hele groep dolfijnen die voor en naast het schip hun kunsten vertoonde. Het zou niet de laatste keer zijn die dag. Regelmatig werden we vergezeld door grote groepen dolfijnen die een na tijdje het schip begeleid te hebben weer verdwenen in de oceaan.
                Na een paar uur varen was het tijd om in de eerste haven aan te leggen. We voerden door een baai die alle kleuren blauw heeft die je maar voor kan stellen en omgeven werd door net zoveel kleuren groen van de jungle die vrijwel de hele baai omsloot. De haven was opmerkelijk te noemen, die was er namelijk niet. Het bestond uit niet meer dan een paar blokken beton in het water om het schip aan vast te maken. Toen het schip aan had gelegd werden we onmiddellijk belaagd door tientallen houten kano’s die van overal leken te komen. Van boven op de heuvel kwam ineens een hele roedel mensen naar beneden gestormd die via een geïmproviseerde steiger, dat wil zeggen een rij aan elkaar gebonden kano’s, de boot innamen. Het dek werd schoongeveegd van mensen en in minder dan 2 minuten tijd was het dek veranderd in een marktplaats. Het was voor de mensen zo ongeveer de enige manier om wat geld te verdienen. Het werkte ook prima want bijna iedereen aan boord kocht wat. Het waren voornamelijk etenswaren die te koop aan werden geboden, maar ook souvenirs…? Het was voor de mensen aan boord dus ook blijkbaar een belevenis want de souvenirs vonden gretig aftrek.
                Na een klein uurtje vertok de boot weer. We kregen intussen het idéé dat we wel eens later dan 15.00 konden aankomen. Tenminste als de boot bij elke ‘haven’ zo lang ging stoppen. Langzaam voerden we verder om eens in de zoveel tijd bij een soort van haven aan te leggen. Bij elke haven was er weer een soort van markt waar mensen waren verkochten. Soms aan boord en soms in de haven. Elke dorp had ook zijn eigen ritueel om de boot te verwelkomen of vaarwel te zeggen. Bij één dorpje had je een markt dat meer weg had van een braderie terwijl in een ander dorpje de lokale kinderen stiekem aan boord klommen om van bovenaf de brug  in het water te springen toen de boot net vertrokken was. Alles was gezet in het meest onvoorstelbare decor van jungle, eilanden, blauwe oceaan en alle zeedieren die je maar kan bedenken. Wij waren intussen zo moe van het wachten en een nacht doortrekken dat we zo nu en dan wegdoezelden tot grote hilariteit van de locals die maar niet konden begrijpen wat twee blanken aan boord deden. Intussen kenden we ook zo een beetje iedereen omdat de meeste mensen een praatje wilde maken en dat dan vervolgens niet voor zichzelf hielden. Langzaam aan begonnen we in de buurt van de plaats van bestemming te komen. De kapitein besloot de één na laatste haven over te slaan omdat de mensen makkelijk vanaf de laatste haven daar naar toe konden lopen.  Dat scheelde toch wel meer dan een uur zodat we uiteindelijk om 19.15 Gizo in zicht kregen. Eenmaal aangelegd konden we weer verder in ons eigen tempo. Twee minuten later hadden we een hotel geboekt, hadden we gedoucht en zaten we met een drankje in onze hand te kijken hoe de andere mensen van boord gingen. Drie uur later zaten we er nog steeds op ons eten te wachten. We hebben dit toen maar geannuleerd en zijn naar bed gegaan.
               
                Gizo

                Gizo is de hoofdplaats van de Western Provence en bestond uit niet meer dan een straat dat vol was met winkeltjes van chinezen en een paar locals. Verder was er een groot, gloednieuw ziekenhuis dat door onder ander Japan was betaald. Het zou in augustus vorige jaar al open zijn gegaan als er niet wat problemen waren. Om te beginnen was het lokale elektriciteitsnet niet berekend op een afname ter grote van het ziekenhuis, daarnaast was nog niet duidelijk wie de stroom moest betalen. Ook was er geen keuken en geen wasserij. De ontwerpers waren er vanuit gegaan dat dit niet nodig was aangezien ziekenhuizen in het westen dit tegenwoordig allemaal uitbesteden.  Een ander probleem was dat er niemand in het hele land was die wist hoe de apparatuur te bedienen, laat staan te onderhouden. Lang leve de ontwikkelingshulp.
Wij verbleven in het Gizo Hotel, een plek die duidelijk betere tijden had gekend. We waren daarom ook niet van plan er erg lang te blijven. De keuze was ook niet erg moeilijk, Gizo was het toeristische hart van de Solomons en we hadden dus alle keuze. We besloten ze alle drie uit te proberen. Te beginnen bij het Sanbis Resort. 
Dit was een resort gelegen op één van de weinige privé eilanden in de baai. Het was prachtig verzorgt en had een mooi uitzicht. De prijs was er wel naar, 400 euro per nacht. De eigenaar gaf aan dat wij de enige toeristen zouden zijn. We vonden dit geen probleem als er wat van de prijs af kon. Dat kon en voor een bedrag  140 euro per nacht mochten we er twee nachten verblijven. De eigenaar Hans was van Australische komaf en had een iets andere werkmentaliteit dan de rest in de Solomons en dat was waarschijnlijk ook de enige reden dat hij het resort in een dergelijke staat kon houden. Het was het enige echt westerse wat tegen zouden komen in de Solomons. We hebben er niet veel gedaan. Het belangrijkste dat we gedaan hebben is naar Fat Boys Resort gekanood dat op het zelfde eiland lag. Hier hebben we een huisje geboekt voor de laatste twee dagen in Gizo. Verder hebben we in het Sanbis alleen pizza’s gegeten. Er was een local die hier zijn ziel en zaligheid in legde en daarmee gelijk de lekkerste pizza’s ter wereld maakten.
Na twee dagen zouden we om twaalf uur opgehaald worden om naar de volgende plek te gaan, Oravae. Die ochtend kregen we van Hans te horen dat de mensen van Oravae ons toch niet op zouden halen maar ze ons op zouden halen van de pier in Gizo, om twee uur. Hans bracht ons gelukkig even naar Gizo en om 14.00 stonden we gereed in Gizo. Geen Oravae te bekennen. Om 14.47 kwam er eindelijk iemand aan, zei sorry en ging vervolgens naar de markt om boodschappen te doen. Wij stonden intussen al bijna klaar om terug naar het Sanbis te gaan. Net op tijd kwam de man van Oravae terug zodat we uiteindelijk toch naar Oravae vertrokken. Daar aangekomen hadden we een enorme bungalow tot onze beschikking. Het bestond uit een grote woonkamer, een binnen- en buitendouche, een keuken , een slaapkamer en een enorm terras over het water. Verder was er een enorme opblaasstoel die je kon gebruiken om op het water in de zon te relaxen wat we niet hebben nagelaten.
De volgende dag werden we onuitgeslapen wakker. Het huis was vergeven van het ongedierte. We waren intussen wat gewend maar de kakkerlakken hier waren zo groot als huismussen en daar werd op gejaagd door spinnen die niet veel kleiner waren dan een voetbal. Dit probleem hebben we gelijk getackeld door onze magische krijt weer te voorschijn te halen en het huis te voorzien van krijtstrepen. Ook hebben we de klamboe boven ons bed vervangen door onze eigen klamboe die de afmeting heeft van een kamer en die ons al vaker van pas is gekomen. De volgende dag konden we weer lijken ruimen alleen was ons eten aangevreten door ratten zodat we besloten dit maar vers te vangen en direct op te eten en niet meer af te nemen.
Intussen was het zaterdag en zouden we gaan duiken met een Spaans stel dat duiken regelde in de omgeving van Gizo. Het weer was een beetje slechter geworden en dus een goede dag om te gaan duiken. We hadden om 09.00 afgesproken en ze waren er om 09.10. Tja, wat kan ik zeggen ze zijn tenslotte wel Spaans en dus iets te laat. We voeren met ze naar de eerste duikstek. Het was een passage waar twee stromen elkaar ontmoeten waardoor er veel voedsel in het water zat. Hierdoor stikte het hier van de vis. Ook zaten hier weer haaien. Al had Anna in het begin van onze reis haaien nog spannend gevonden intussen hadden we er zo veel gezien dat ook Anna er niet meer warm of koud van werd. Bij Matikuri had zelfs de huishaai regelmatig om ons heen gezwommen als we in het water aan het spelen waren. Een moment was zeer grappig, er waren toen locals die waarschijnlijk daarna dachten dat ik één of andere tovenaar was. De huishaai was intussen ergens anders gaan kijken maar Anna en ik hadden een enorme boomstronk gevonden die al tijden bij de steiger in het water lag. Het was ongeveer een 80 centimeter dik en de boom had een doorsnee gehad van een meter. De stronk was helemaal doorweekt van het water en bleef nog net drijven. Alleen dit wisten de locals niet. Toen we uit waren gespeeld ging ik op de stronk staan en zette zo hard ik kon af. Dit zorgde ervoor dat de laatste lucht uit de stronk verdween en hij afzonk naar de bodem van de oceaan. Nadat ik, “tadaa” had gezegd en wegzwom heb ik locals heel lang, heel verbaasd naar het water zien staren. Ik was natuurlijk zelf ook verbaasd maar goed ik wist wat er gebeurd was. De locals begrepen er geen biet van.
Nadat we uitgekeken waren in de passage gingen we tegen de stroom in weer naar boven voor onze safety stop welke altijd moet na een tijd duiken onder water. We konden weer aan boord klimmen maar besloten naar de plek te zwemmen waar we gingen lunchen. Na de lunch zouden we een duikje gaan doen bij een wrak uit de tweede wereldoorlog. Het was een Japans vrachtschip dat door de geallieerden was getorpedeerd. Het lag niet al te diep en was behoorlijk groot. De duikleider vertelde wat we zoal konden aan treffen in het schip. 
Op een bepaald moment zei hij dat er allemaal sakeflessen lagen in het voorste deel van het schip. Anna en ik reageerde tegelijkertijd met een ineens zeer geïnteresseerde, Oh..! Dat direct omsloeg in een teleurgestelde, Oh… Toen we te horen kregen dat ze allemaal leeg waren. We gingen het water in bij het midden van schip dat op zijn zij lag. Via de zij- en achterkant zijn we via de schroef en dan de bovenkant naar de het voorste cargohole gegaan. Hier zat een enorm gat van de torpedo. Via dit gat zijn we het schip in en weer uit gegaan. Overal waren nog objecten te zien die deden herinneren aan die tijd. Na een uurtje gingen we weer naar boven. Het weer was intussen omgeslagen en zou de daarop volgende dagen niet beter worden.
                Het weer was omgeslagen van zo nu en dan een buitje naar een echte moesson. Bij Vanuatu en Australië was een cycloon gaande en wij kregen de uitlopers daarvan. Die dag zouden we naar Fat Boys gaan er we zouden opgehaald worden om 11.00 uur. Om 10.30 waren ze er al om ons op te halen. We besloten nog even te wachten tot de ergste regen over was en begonnen toen onze tocht naar Fat Boys. Hier aangekomen bleken we weer de enige toeristen te zijn. Vroeger was Fat Boys de place to be, maar dat was allemaal voorbij. De vorige managers waren hun eigen beste klanten geweest en het was behoorlijk afgetakeld.
Sinds een week hadden ze een nieuwe manager die boel weer op poten moest krijgen. Gelukkig maar want daardoor hadden we in ieder geval elektriciteit en warm water. Warm water, dat was de eerste keer in de Solomons. Gelukkig maar want de volgende dag werd ik wakker met koorts. Het moest er een keertje van komen met al dat ongedierte hier. Na een dag op bed voelde ik me al een stuk beter. In Fat Boys was niet zoveel te doen en het weer hield ook niet over. Daarnaast voelde ik me niet goed genoeg om iets te ondernemen dus hebben we het er twee dagen van genomen. We hadden uitzicht op Kennedy Island. Dit was het eiland waar president Kennedy in tweede wereldoorlog zich een paar dagen verscholen heeft gehouden voor de Jappen die zijn boot hadden geramd en naar de kelder hadden gejaagd. Hij heeft in zijn hele leven nog een kokosnoot bewaard die hij gevonden had op dit eiland om te overleven. Deze heeft tijdens zijn presidentschap ook altijd op zijn bureau gelegen in de Oval-Office en is nu te zien in het museum dat aan hem gewijd is, in Washington geloof ik.
                Na ons verblijf in Fat Boys was het weer tijd om terug te gaan naar Honiara. Met Solomon Airlines. Het vliegtuig zou gaan 16.15, de dag van te voren hoorden we dat het vliegtuig zou gaan om 15.05.
Om 16.45 stapten we in het vliegtuig dat werd bestuurd door een blank meisje van rond de 16, dat was ze natuurlijk niet maar zo zag ze er wel uit. Het werd ook al snel duidelijk dat het een lesvlucht was. Zij was dan wel gezagvoerder maar de copiloot keek er op toe of ze alles wel goed deed. En dat deed ze, nog niet eerder in de Solomon werd er een vlucht zo goed gevlogen. We vlogen na 15 minuten over Seghe om na een uur boven Guadalcanal te vliegen. Hier zagen we dat de cycloon hier behoorlijk had huisgehouden. Alles was overstroomd. De piloten gooide zelfs het vliegtuig scheef om eens goed te zien wat er allemaal overstroomd was. De oceaan was ook niet langer blauw meer maar had meer de kleur van de Noordzee door al het water uit de rivieren. Een meisje dat naast ons zat vond dit scheefhangen allemaal niet zo leuk. Ze zat al te trillen als een rietje sinds we opgestegen waren.
Na de beste en de zachtste landing ooit namen we de taxi naar ons hotel in Honiara. Van onze chauffeur hoorde wel al dat Air Pacific niet kon vliegen vanwege de cycloon. Aangekomen in ons hotel werd dit bevestigd door de enorme hoeveelheid mensen die zich in het hotel bevonden dat normaal alleen door expats en een verdwaalde toerist bezocht werd. We konden gelukkig nog een kamer krijgen en hebben deze genomen.
Overmorgen gaat onze vlucht naar Fiji, er schijnt weer een cycloon in aanbouw te zijn bij Fiji. Eens kijken of Air Pacific voor ons nog een paar dagen wil betalen in King Solomon.